Innovatieagenda

De Innovatieagenda geeft richting aan de ontwikkeling van de Nederlandse archeologie. De agenda benoemt de belangrijkste innovatieopgaven en inspireert onderzoekers, bedrijven, overheden en kennisinstellingen om samen te werken aan vernieuwende oplossingen.

Innovatieagenda

De Innovatieagenda geeft richting aan de ontwikkeling van de Nederlandse archeologie. De agenda benoemt de belangrijkste innovatieopgaven en inspireert onderzoekers, bedrijven, overheden en kennisinstellingen om samen te werken aan vernieuwende oplossingen.
Wat is de Innovatieagenda?

De Innovatieagenda beschrijft de belangrijkste innovatieopgaven voor de Nederlandse archeologie. Ze helpt het werkveld om kansen voor vernieuwing te herkennen, samenwerking te stimuleren en innovatieve projecten verder te ontwikkelen.

De agenda wordt opgesteld door de Adviesraad Innovatie en periodiek geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten, ervaringen uit projecten en ontwikkelingen binnen het archeologische werkveld.

Waarom een Innovatieagenda?

Innovatie betekent meer dan alleen nieuwe technologie. Ook nieuwe manieren van samenwerken, organiseren, onderzoeken en kennis delen dragen bij aan een sterker archeologisch bestel.

De Innovatieagenda helpt organisaties en consortia om hun projectideeën verder aan te scherpen en stimuleert initiatieven die bijdragen aan duurzame vernieuwing van de sector.

De vijf innovatieopgaven

Het archeologisch onderzoek in Nederland is gebaat bij nieuwe formules voor samenwerking waarbij bedrijven, overheden, universiteiten/hogescholen en andere kennisinstellingen nauw samenwerken en hun vernieuwende oplossingen en expertise meer (kunnen) gaan delen. Dat streven wordt geoptimaliseerd als meer partijen de handen ineenslaan, ook als zij elkaar nog niet zo goed kennen. Bij aanvragen in de eerste ronde heeft de adviesraad de musea, depots en provincies als partners gemist. Dat is jammer, want al deze partners kunnen een rol spelen bij vernieuwing. De musea beschikken niet alleen over collecties en expertise op het gebied van publieksbereik en communicatie, maar zijn ook op archeologisch terrein echte kenniscentra. Dat laatste geldt natuurlijk ook voor de depots. Provincies zijn hoeders en kenners van ons regionale erfgoed en zijn daarom cruciaal voor het ontwikkelen van regionale agenda’s en projecten. In grensregio’s kan de samenwerking met partners ‘over de grens’ essentieel zijn.

Het is begrijpelijk dat aanvragen worden ingediend door academische en professionele partners die al enige ervaring hebben met elkaar. Dan kan een project vernieuwend zijn, maar de samenstelling van het projectteam is dan weinig verrassend, waardoor ook weer kansen worden gemist.

Hoewel de laatste jaren in opmars, zou in projecten nog meer gebruik kunnen worden gemaakt van de inzet en kennis van zogenaamde citizen scientists. Na decennia van intensieve samenwerking tussen professionele archeologen en ‘amateurarcheologen’ stonden vrijwilligers na de introductie van het Malta-bestel opeens lang de zijlijn. Deze groep van geïnteresseerden is echter onmisbaar en bovendien gegroeid. Citizen Scientists beschikken vaak over hoogwaardige expertise op het gebied van geavanceerde methoden en technieken of de archeologie van specifieke regio’s.

Projectteams kunnen ook worden vernieuwd en versterkt door meer ruimte te creëren voor studenten en jonge collega’s. Zij hebben er baat bij om in een vroeg stadium van hun training ervaring op te bouwen in de archeologische uitvoeringspraktijk, maar nemen vanuit hun opleidingen ook nieuwe ideeën, kennis en methoden mee. Bovendien kan vernieuwing en kwaliteitsverbetering van het archeologisch onderzoek op deze wijze een plaats krijgen in de onderwijsprogramma’s van de universiteiten en hogeschool. Een gezondere ‘demografische’ samenstelling van de projectteams vergroot uiteraard de kans dat vernieuwingen worden verduurzaamd en meegenomen naar volgende generaties.

De governance en organisatie van projecten kan worden vernieuwd door het experiment aan te gaan met opdrachtgevers, zodat teams van archeologen hun wensen en verwachtingen beter kunnen duiden en de opdrachtgever beter kan inschatten wat nieuw en nodig is. Wat houdt goed opdrachtgeverschap in de archeologie in, en hoe kunnen projectteams daarop inspelen? En welke (beleids-)instrumenten zijn nodig om goed opdrachtgeverschap te realiseren?

Daarnaast vraagt de raad bij de projectorganisatie aandacht voor de volgende thema’s:

  • Vernieuwende formules voor publiek-private samenwerking;
  • Vernieuwende financiële constructies voor (uitvoerend) archeologisch onderzoek;
  • Tussentijdse monitoring en evaluaties van uitvoeringsprojecten, zodat deze een meer flexibel karakter krijgen en daardoor beter kunnen inspelen op wetenschappelijke innovaties, nieuwe vraagstellingen en de lokale situatie.

Een van de grote uitdagingen voor het archeologisch onderzoek in (Caribisch) Nederland is het verkorten van de afstand tussen de nieuwste wetenschappelijke ontwik- kelingen en het Programma van Eisen. Dat kan o.a. worden gerealiseerd door actuele onderzoeksvragen sneller te verwerken in lokale, regionale en nationale onderzoeksagenda’s die als basis en inspiratiebron dienen voor deze PvE’s. Hoe kunnen we vernieuwend wetenschappelijk onderzoek sneller en effectiever vertalen naar onderzoeksvragen en agenda’s voor de uitvoeringspraktijk? Wat is de (potentiële) waarde en betekenis van een specifieke site, gemeente of (archeo)regio voor lopende onder- zoeksprojecten van onze kennisinstellingen? Hoe kunnen we actuele vragen over de bewonings- en landschapsgeschiedenis, migratiepatronen, praktijken van begraven etc. sneller verwerken in de programmering van individuele uitvoeringsprojecten? Als we antwoorden kunnen vinden op deze vragen, neemt ook de kenniscapaciteit voor projecten toe: elk uitvoeringsproject kan dan immers worden ingebed in een netwerk van lopende projecten, experts en kennisinstellingen.

De innovatieadviesraad constateert ook dat vernieuwende programmering van het archeologisch onderzoek wordt belemmerd doordat regio-specifieke informatie, data en kennis vaak slecht ‘vindbaar’ zijn en onvoldoende zijn geïntegreerd en gesynthetiseerd. Daardoor blijven de resultaten van eerder onderzoek onderbenut.

De Nederlandse archeologie staat internationaal al bekend om haar innovatiedrang, maar altijd in balans tussen theorie en praktijk. De vernieuwingen in het internationale frontlinieonderzoek voltrekken zich momenteel in hoog tempo, mede onder invloed van ontwikkelingen in de natuur- en levenswetenschappen. Nederlandse kennisinstellingen lopen daarbij voorop. Gedacht kan worden aan de analyse van oud-DNA, het onderzoek van (in)stabiele isotopen in menselijk skeletmateriaal, zoölogische en plantaardige resten, het verder ontwikkelen van nieuwe dateringstechnieken etc. Toepassing van deze nieuwe methoden levert nieuwe interpretaties van archeologische data en nieuwe, soms revolutionaire beelden van onze diepe geschiedenis

op. Ze worden echter pas toegepast in uitvoeringsprojecten als ze zich in het academisch onderzoek hebben bewezen. De allernieuwste experimenten, bijvoorbeeld met het isoleren van DNA uit sediment en de ‘paleoproteomics’, worden nog te vaak gezien als risicovol of fancy voor archeologische marktprojecten. Dat is jammer, want juist deze projecten zijn nodig om de nieuwste methoden beter te ontwikkelen in een controleerbare omgeving. Op dit punt concludeert de adviesraad: het nemen van wetenschappelijke risico’ s is een voorwaarde voor innovatie.

Innovatiethema’s

Draag bij aan innovatie in de archeologie

Werk je aan een innovatie die aansluit bij één of meerdere innovatieopgaven? Deel jouw initiatief op het Innovatieplatform en inspireer andere professionals binnen het archeologische netwerk.